
Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus
Artikel 15
1
Indien wordt gehandeld in strijd met het bepaalde bij of krachtens artikel 4, vijfde of zesde lid, 6, 7, eerste, tweede of vijfde lid, 8, tweede lid, 9, 10, eerste, derde of vierde lid, 11, tweede lid, of 12, eerste of tweede lid, kan Onze Minister ter zake van de overtreding aan de houder van de vergunning bij beschikking een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste 11 250.
2
De hoogte van de boete wordt afgestemd op de ernst van de overtreding en de omstandigheden waarin de vergunninghouder verkeert. Onze Minister legt geen boete op indien de vergunninghouder aannemelijk maakt dat hem van de overtreding geen verwijt kan worden gemaakt.
3
De beschikking vermeldt in ieder geval:
a
de hoogte van de boete,
b
de termijn waarbinnen de boete moet worden betaald,
c
het feit ter zake waarvan de boete wordt opgelegd alsmede het overtreden wettelijk voorschrift onderscheidenlijk de overtreding bepaling en
d
een aanduiding van de plaats waar en van het tijdstip waarop de overtreding is begaan.
4
De bevoegdheid tot het opleggen van een boete vervalt twee jaar nadat de overtreding is begaan.
Jurisprudentie bij dit artikel
- Hieronder wordt een selectie van de bijbehorende jurisprudentie getoond.
- Geen resultaten gevonden voor de door u opgegeven zoek termen.